
De Ridderschap van Overijssel werd in 1424 gevormd als een college van riddermatige geslachten dat een vaste plaats kreeg binnen de Staten van Overijssel. Zij vertegenwoordigde de adel in het bestuur van de drie Overijsselse kwartieren: Salland, Twente en Vollenhove. De ridderschap had invloed op wetgeving, rechtspraak, financiën en benoemingen, en vormde daarmee een van de pijlers van het regionale bestuur.
Tijdens de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd ontwikkelde de ridderschap zich tot een stabiele bestuurlijke macht. De leden waren bezitters van havezaten en vervulden functies als drost, richter of gedeputeerde. De ridderschap trad op als belangenbehartiger van de adel en als bewaker van regionale privileges en autonomie.
De Canon van Nederland beschrijft dat Overijssel lange tijd weigerde partij te kiezen en pas in 1578 officieel de kant van de opstandige gewesten koos. Belangrijk hierbij:
-
De Staten van Overijssel (waar de ridderschap een van de drie standen was) huldigden Filips II in 1556, maar uitten toen al bezwaren tegen zijn bestuurlijke hervormingen.
-
Overijssel werd meerdere malen bezet door Spaanse troepen, maar er wordt geen formele capitulatieakte van de ridderschap aan Spanje genoemd in de beschikbare bronnen.
-
De provincie lag in de frontlinie en wisselde soms van feitelijke controle, maar dat is niet hetzelfde als een vrijwillige capitulatie door de ridderschap.
In de 17e eeuw bleef de ridderschap een invloedrijke factor. Zij speelde een rol in de bestuurlijke organisatie van de provincie en in de verdediging van regionale belangen binnen de Republiek.
In het Rampjaar 1672, toen de Republiek der Verenigde Nederlanden gelijktijdig werd aangevallen door Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen, bevond Overijssel zich in een bijzonder kwetsbare positie. De troepen van de bisschop van Münster, Bernhard von Galen, vielen het gewest binnen en veroverden in korte tijd grote delen van de provincie. Een groep Overijsselse edelen, handelend buiten de volledige Statenvergadering om, besloot op 5 juni 1672 tot een capitulatie met de Münsterse bezetter. Deze overeenkomst, die in de historiografie bekendstaat als de Capitulatie van Oldenzaal, werd gesloten om verdere verwoesting te voorkomen, maar leidde tot grote politieke en maatschappelijke beroering. De capitulatie werd door tijdgenoten en latere historici gezien als een omstreden en zelfs laakbare daad, omdat zij de eenheid van het gewest ondermijnde en de legitimiteit van het provinciale bestuur aantastte. Hoewel slechts een deel van de ridderschap betrokken was, wierp het voorval een langdurige schaduw over de reputatie van de Overijsselse adel.
Het einde van de ridderschap als staatsrechtelijke macht kwam met de Bataafse Omwenteling (1795). De standenvertegenwoordiging werd afgeschaft en de ridderschap verloor haar formele politieke positie. Onder het Franse bestuur werd haar formele positie opgeheven doch bleef voortbestaan als Riddermatige entiteit.
Na het herstel van het Koninkrijk der Nederlanden in 1814 werd de Ridderschap opnieuw ingesteld, maar haar rol was nu beperkt tot een staatsrechtelijke functie binnen de Provinciale Staten. De grondwetsherziening van 1848 maakte definitief een einde aan deze rol: de ridderschap verloor haar politieke betekenis en werd een privaatrechtelijke organisatie.
In de 19e en 20e eeuw ontwikkelde de Ridderschap van Overijssel zich tot een vereniging van adellijke families met een culturele, genealogische en maatschappelijk charitatieve doelstelling. Zij richt zich sindsdien op het behoud van historisch erfgoed, het ondersteunen van culturele projecten, het ondersteunen van charitatieve organisaties en het documenteren van de geschiedenis van de Overijsselse adel. Publicaties zoals De Ridderschap van Overijssel. Le Métier du Noble (2000) onderstrepen deze blijvende rol.